De Babyloniërs noemden de planeet naar de god van vuur, oorlog en vernietiging, Nergal, waarschijnlijk vanwege zijn rode kleur. De oude Grieken stelden Nergal gelijk aan hun god Ares en noemden de planeet Ἄρεως ἀστἡρ (Areos aster), dat "ster van Ares" betekent. Overigens noemden de Grieken de planeet ook wel Πυρόεις (Pyroeis), dat "vurig" betekent. In de Hindoeïstische mythologie is Mars bekend als Mangala (मंगल) of Angaraka (de laatste naam, uit het Sanskriet, is ook een oorlogsgod). Bij de Egyptenaren was de planeet bekend als Ḥr Dšr, wat "rode Horus" betekende. De Israëlieten noemden Mars Ma'adim (מאדים)—"de blozende", hiervan komt de naam van de grootste kloof op Mars, Ma'adim Vallis. In de Chinese, Japanse, Koreaanse en Vietnamese culturen wordt de planeet huǒxīng (Chinees) of "kasei" (Japans) (火星) genoemd, "vuurster", en geassocieerd met het element vuur.
In de westerse astrologie wordt Mars geassocieerd met geweld, energie en seksualiteit, en als tegenpool van de planeet Venus. Het symbool, een cirkel met een eruit stekende pijl, is een gestileerde representatie van een schild en speer, symbolen van de Romeinse god Mars. In de biologie wordt hetzelfde symbool gebruikt om het mannelijk geslacht mee aan te geven en in de alchemie staat het symbool voor het element ijzer, dat met de planeet geassocieerd werd ...
Een van de eersten die de planeet Mars op een wetenschappelijke manier beschreven, was Aristoteles, die zag hoe de planeet door de Maan bedekt werd. Daaruit leidde hij af dat Mars zich verder van de Aarde vandaan bevindt dan de Maan, in tegenstelling tot wat in die tijd algemeen gedacht werd.
Op 13 oktober 1590 vond een bedekking van Mars door Venus plaats en dit verschijnsel werd beschreven door de Duitse astronoom Michael Maestlin. Dit is de enige beschreven bedekking van Mars door een andere planeet. Johannes Kepler was de eerste die de ellipsbaan van Mars berekende in 1609.
Galileo Galilei was de eerste die Mars door een telescoop bekeek.
Voordat Galilei de telescoop gebruikte voor zijn astronomische waarnemingen had hij deze in ongeveer augustus 1609 voor de Doge van Venetië gedemonstreerd voor oorlogsgebruik. Anders dan men vooral in Italië nog wel beweert, had Galilei de telescoop niet uitgevonden: hij bracht de Hollandse kijker op de markt. Dit vroege type telescoop was omstreeks 1608 in Middelburg uitgevonden door Lippershey of Sacharias Jansen.
In 1666 ontdekte de astronoom Cassini poolkappen op Mars. Christiaan Huygens tekende de eerste Marskaart met Syrtis Major, berekende de omlooptijd en nam een poolkap waar.
De gedachte dat Mars bewoond wordt door intelligente marswezens ontstond aan het einde van de 19de eeuw. De door Giovanni Schiaparelli (foto) veronderstelde kanalen op Mars vormden de achtergrond voor de idee dat de planeet een uitdrogende, afkoelende, en afstervende wereld was waarin oude beschavingen irrigatiesystemen aangelegd hadden.
Schiaparelli was van 1864 tot 1900 directeur van de Brerasterrenwacht te Milaan. Hij is vooral bekend geworden omdat hij in 1877 beweerde kanalen ontdekt te hebben op Mars.
Hij heeft in 1861 ook de planetoïde Hesperia ontdekt en kon aantonen dat de sterrenregens van midden augustus (de Perseïden) en midden november (de Leoniden) meteorenzwermen zijn met ongeveer dezelfde baan als die van de kometen 109P/Swift-Tuttle van 1862 en 55P/Tempel–Tuttle van 1866, respectievelijk.
Pas in de 19de eeuw werden telescopen gebouwd die sterk genoeg waren om het Marsoppervlak gedetailleerd te bestuderen. De astronomen Johann Heinrich von Mädler (foto) en Wilhelm Beer waren de eerste "areografen". Ze stelden vast dat de meeste oppervlakkenmerken vast waren en konden aan de hand daarvan de rotatieperiode van de planeet vaststellen. In 1840 tekende Von Mädler aan de hand van tien jaar observaties een kaart van Mars. In plaats van de kenmerken namen te geven, gaven Von Mädler en Beer ze letters; Sinus Meridiani was bijvoorbeeld "a". Tot in de tweede helft van de 19e eeuw hadden verschillende waarnemers kaarten van Mars gemaakt en zelf namen toegekend aan gebieden zoals Zee van Dawes (1865), Land van Cassini en Continent van Secchi.
Geïnteresseerd geraakt door Schiaparelli's waarnemingen, stichtte Percival Lowell (foto) een sterrenwacht met 300mm- en 450mm-telescopen. Hij bekeek Mars tijdens de perihelische oppositie van 1894 en de daaropvolgende minder gunstige opposities en publiceerde een aantal populaire boeken over de planeet en haar veronderstelde bewoners. Zowel Lowell als Carl Otto Lampland lukte het foto's te maken van de canali.
De grootste bijdrage aan de planetaire studie van Lowell kwam gedurende de laatste 8 jaar van zijn leven, die hij opdroeg aan de zoektocht naar Planeet X, wat de benoeming was voor een planeet (of ander hemellichaam) voorbij Neptunus. De zoektocht duurde nog tot enkele jaren na zijn dood: in 1930 werd de nieuwe planeet, genaamd Pluto, ontdekt door Clyde Tombaugh.
Met de telescopen van het begin van de 20ste eeuw waren het aangroeien en afnemen van de poolkappen en de groei van grote donkere gebieden tijdens de "zomer" op Mars duidelijk te zien. Vaak werd aangenomen dat de donkere gebieden door vegetatie gevormd werden. In 1909 bekeek de Franse astronoom Camille Flammarion (foto) Mars door een 840mm telescoop. Hij beschreef onregelmatige vormen en patronen op het oppervlak van de planeet, maar kon geen spoor vinden van de canali van Schiaparelli.
Flammarion bestudeerde vooral dubbelsterren, de maan en de planeet Mars. Hij was een pionier in het gebruik van fotografie in de astronomie. Hij was stichter en directeur van de sterrenwacht van Juvisy. Hij heeft heel wat planetoïden ontdekt. Planetoïde (1021) Flammario is naar hem vernoemd, evenals een krater op de Maan en een op Mars.
Free AI Website Builder