De Griekse filosoof Democritus (450-370 v.Chr.) opperde dat de heldere band aan de nachtelijke hemel, bekend als de Melkweg, zou kunnen bestaan uit verre sterren. Aristoteles (384-322 v.Chr.) geloofde echter dat de Melkweg werd veroorzaakt door "de ontsteking van de vurige uitademing van enkele sterren die groot, talrijk en dicht bij elkaar stonden" en dat de "ontsteking plaatsvindt in het bovenste deel van de atmosfeer, in het gebied van de wereld dat in verbinding staat met de hemelbewegingen." De neoplatonische filosoof Olympiodorus de Jongere (ca. 495-570 n.Chr.) was kritisch over deze opvatting en betoogde dat als de Melkweg sublunair was (gelegen tussen de Aarde en de Maan), deze er op verschillende tijdstippen en plaatsen op Aarde anders uit zou moeten zien en dat er sprake zou moeten zijn van parallax, wat niet het geval was. Volgens hem was de Melkweg hemels.
Volgens Mohani Mohamed deed de Arabische astronoom Ibn al-Haytham (965-1037) de eerste poging om de parallax van de Melkweg te observeren en te meten, en hij concludeerde aldus dat, omdat de Melkweg geen parallax had, deze ver van de Aarde verwijderd moest zijn en niet tot de atmosfeer behoorde. De Perzische astronoom al-Biruni (973-1048) opperde dat de Melkweg een verzameling was van talloze fragmenten van nevelachtige sterren. De Andalusische astronoom Avempace (gestorven in 1138) stelde voor dat de Melkweg was samengesteld uit vele sterren die elkaar bijna raakten en een continu beeld leken te vormen als gevolg van de refractie van sublunair materiaal. Hij noemde daarbij zijn observatie van de conjunctie van Jupiter en Mars als bewijs dat dit gebeurde wanneer twee objecten dicht bij elkaar waren. In de 14e eeuw opperde de in Syrië geboren Ibn Qayyim al-Jawziyya dat de Melkweg een "ontelbare hoeveelheid kleine sterren is die dicht op elkaar gepakt zijn in de bol van de vaste sterren" ...
Het eerste project om de vorm van de Melkweg en de positie van de Zon te beschrijven werd in 1785 ondernomen door William Herschel, die het aantal sterren in verschillende delen van de hemel telde. Hij produceerde een diagram van de vorm van het sterrenstelsel met het zonnestelsel dicht bij het centrum. Met een verfijndere aanpak kwam Kapteyn in 1920 tot het beeld van een klein (diameter ongeveer 15 kiloparsec) ellipsoïde sterrenstelsel met de Zon dicht bij het centrum.
Een andere methode van Harlow Shapley, gebaseerd op de catalogisering van bolvormige sterrenhopen, leidde tot een radicaal ander beeld: een platte schijf met een diameter van ongeveer 70 kiloparsec en de Zon ver van het centrum. Beide analyses hielden geen rekening met de absorptie van licht door interstellair stof in het galactische vlak; maar nadat Robert Julius Trumpler dit effect in 1930 kwantificeerde door open sterrenhopen te bestuderen, ontstond het huidige beeld van de Melkweg.
De Melkweg is volgens de Egyptische mythologie uit de melk ontstaan, die uit de uier van de hemelse koe vloeide. De vier poten van de koe steunden op de vier hoeken van de Aarde.
Volgens de oude Grieken zou de god Zeus de baby Herakles aan zijn vrouw Hera hebben gegeven om te zogen. Toen Hera besefte dat de baby niet haar eigen kind was, maar het zoveelste kind dat haar brave echtgenoot bij een andere vrouw had verwekt, duwde ze het verontwaardigd van zich af. De daarbij gemorste melk vormde de Melkweg, in het Oudgrieks galaxias, γαλαξίας, afgeleid van het woord γάλα, melk.
De Kelten noemden de Melkweg 'de ketting van Lugh' en volgens de Noordse mythologie ontstond het heelal uit interactie van een wereld van nevel, Niflheim, en een wereld van vuur, Muspelheim, in de Ginnungagap, een kosmische lege kloof. Dit werd eerst het oerwezen Ymir, maar dit gigantische wezen werd opgeofferd om er de werelden mee te construeren. Zijn wenkbrauwen werden rondom de mensenwereld gelegd om deze tegen andere gigantische krachten te beschermen.
De Azteken noemden de Melkweg Mixcoatl, wolkenslang, en associeerden hem met de god met dezelfde naam.
AI Website Creator