Tienduizenden stelsels zijn intussen gecatalogiseerd. Slechts enkele hebben een naam gekregen, zij het niet officieel, bijvoorbeeld Andromedanevel, Magelhaense wolken, Draaikolknevel en Sombreronevel. Astronomen werken met catalogusnummers, gebaseerd op een eerder toevallige ordening van soms allerhande astronomische objecten in een aantal catalogi, zoals die van Messier of de NGC (New General Catalogue) en de IC (Index Catalogues), de CGCG (Catalogue of Galaxies and of Clusters of Galaxies), de MCG (Morphological Catalogue of Galaxies), de UGC (Uppsala General Catalogue of Galaxies) enz. De opvallendste stelsels figureren in haast al deze catalogi, telkens onder een ander volgnummer. Zo heeft de Messier 109, een spiraalnevel die het nummer 109 kreeg in de catalogus van Messier, ook de codes NGC 3992, UGC 6937, CGCG 269-023, MCG+09-20-044 en PGC 37617.
Omdat men in de wetenschap doorgaans namen geeft aan de bestudeerde objecten, zelfs aan de kleinste, hebben de Belgische astrofysicus Gerard Bodifée en classicus Michel Berger in 2010 voorgesteld (in de Catalogue of Named Galaxies) om alvast aan duizend opvallende stelsels een naam in het Latijn (of gelatiniseerd Grieks) te geven, in overeenstemming met de binominale nomenclatuur die men in andere wetenschappen als biologie, anatomie, paleontologie en in andere domeinen van de astronomie als de Marsgeografie hanteert. Een van de argumenten is dat deze zo indrukwekkende verschijnselen beter verdienen dan ongeïnspireerde, haast ontluisterende codes. Nochtans zijn moderne astronomen niet gemakkelijk te overtuigen om mee te gaan in deze oude wetenschappelijke traditie ...
Drag & Drop Website Builder